Het Willibrordus-orgel van Sint Willibrordus-buiten-de-Veste te Amsterdam 


Sommige orgels heb ik gevolgd omdat ik een verleden met ze heb zoals met het Willibrordus-orgel. Sommige orgels vind ik interessant omdat ze verhalen hebben, verhalen die werden verteld vooral door journalisten in hun verslagen in verschillende lokale en landelijke kranten, bijv. Nederlands Dagblad, Het Parool, het Algemeen Handelsblad, Trouw, de Volkskrant, en soms ook op televisie. De verslagen over het lot van het Willibrordus-orgel (toen het in de Willibrorduskerk buiten de Veste in Amsterdam stond en later in de Kathedrale Basiliek Sint Bavo in Haarlem), vind ik beeldend. "Kerkorgel voor niets aangeboden", “Orgelcadeau aangeboden”, "Wie wil kerkorgel hebben?”, “Amsterdams grootste orgel in gevaar”. A.J. (Bert) Klei (1924-2008), veertig jaar journalist bij dagblad Trouw, doet weer vele verslagen zoals hij het deed bij de Prinsessekerk en haar Steinmeyer-orgel in Amsterdam. 


DE GESCHIEDENIS VAN HET ORGEL  

De kerk werd "Sint Willibrordus buiten de Veste" genoemd ter onderscheiding van de "Willibrordus binnen de Veste", die bekend is als De Duif. De kerk dat uit 1873 dateert werd gebouwd door architect dr. R. H. Cuypers. Cuypers die ook het Rijksmuseum (1876-1885) en het Amsterdamse Centraal Station (1881-1889) bouwde.


St. Willibrorduskerk krijgt een orgel

Eerste mededeling over de komst van een orgel werd gemaakt door De Tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad:

Bron: De tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad 20-06-1921

De Maasbode was het belangrijkste Katholieke dagblad tot de Tweede Wereldoorlog en vanuit Rotterdam deed het blad ook verslagen over o.a. de Willibrorduskerk in Amsterdam. De Maasbode van 16 september 1922 doet een belangrijke mededeling in haar column LETTEREN EN KUNST: ORGELBESPELING

"Men meldt ons uit Amsterdam: In de St Willibrorduskerk buiten de Veste wordt ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan dezer kerk in September 1923 een groot orgel (70 registers) op het achter-koor gebouwd. Het bestaande kleine orgel, in het kruis der kerk, hetwelk later moet dienen als vóór-orgel van het groote orgel (het wordt electrisch verbonden, zoodat het ook op het achterkoor is te bespelen) is thans geheel gemoderniseerd." [Bron: De Maasbode 16-09-1922]

Een nieuw orgel en dus een nieuwe organist, zou je zeggen want een maand later werd de Amsterdamse Jan Nieland benoemd tot organist van de kerk. Dat werd gezien "als niet alleen een aanwinst voor de groote St. Willibrordusparochie, maar ook voor de beoefening der kerkmuziek in het algemeen."

 

HET ORGEL DER ST. WILLIBRORDUSKERK

Men schrijft ons uit Amsterdam d.d. 2 Mei: Heden werd de pers door den directeur van het koor der St. Willibrorduskerk buiten de Veste uitgenodigd tot een bezoek aan den bouw en het reeds gereed gekomen gedeelte van het orgel dier kerk, dat het grootste van Nederland moet worden, en tevens het eerste dubbel-orgel dat hier te lande geplaatst wordt.

De kerk leent zich door haar bouw uitstekend voor zulk een dubbel-orgel. Waar oorspronkelijk het orgel door den architect P. J. Cuypers geplaatst werd, staat nu het kleine bij-orgel, dat thans geheel gereed is. Dit bij orgel komt elektrisch in verbinding te staan met het groote orgel dat achter in de kerk zijn plaats vindt, zodat het van daar uit bespeeld kan worden. Dit nieuwe orgel is uit de fabriek van Jos Adema te Amsterdam en zal wanneer het gereed is, met het bij-orgel samen 74 registers bezitten.

Het geheel vertoont veel overeenkomst met dat van de Zuiderkerk te Rotterdam dat tot nu toe het grootste was, met 75 registers, waaronder echter 11 transmissies. De groote speeltafel bezit vier klavieren waarvan het vierde werkt op het kleine bij-orgel in de rechter zijbeuk. Daar zijn er slechts 10 registers geplaatst, hoewel er door octaafkoppels hetzelfde toonvolume van een groot orgel te bereiken is, gelijk de organist der kerk, Jan Nieland ons bewees met het tussen haakjes prachtig spelen van Bach’s Toccata in d.

De groote speeltafel is van de meest moderne faciliteiten voorzien, en bezit o.a. ruim tweehonderd combinatie-knoppen, terwijl met een generaal-crescendo-trede achtereenvolgens alle registers geleidelijk in functies gesteld kunnen worden. De registers en knoppen zijn in een halve cirkel om de speeltafel aangebracht, en uiterst gemakkelijk te hanteren. Een moeilijkheid van gewichtigen eerd bood de kwestie hoe het groote Roosvenster in de achtermuur te sparen. Om dit te kunnen doen zullen de grootste pijpen buitenwaarts geplaatst moeten worden, waarbij het geheel blijkens het ontwerp van den heer Batenburg wel zal voldoen.

Het orgel wordt een feestgave bij het 50-jarig bestaan de kerk in September a.s. doch zal dan waarschijnlijk nog niet geheel gereed wezen. De geheele bouw duurt ruim anderhalf jaar.

De heer v.d. Bijl, die zoo vriendelijk was ons rond te leiden, was er echter van overtuigd, dat waaneer het orgel geheel gereed zou zijn, er door de combinatie van de twee orgels zeer verrassende muzikale effecten bereikt zouden kunnen worden. [Bron: De Maasbode 04-05-1923]


Niet alleen werd het pers op de hoogte gehouden over het komst van het Willibrordusorgel, ook parochianen en belangstellenden mochten getuig zijn van het opbouw van het orgel. Zo werd een inloop georganiseerd bijv. op 06-05-1923 zodat parochianen tussen 2-4 uur binnen kunnen lopen via de ingang Ceintuurbaan om de grote nieuwe speeltafel van het dubbel-orgel te bezichtigen.


De heer Theo van der Bijl was de directeur van het zangkoor dat 90 knapen en 43 heeren telde. Hij was ook muziekjournalist verbonden aan het katholieke dagblad De Tijd: godsdienstig-staatkundig dagblad en schreef vaak over orgels en dus ook over zijn eerst indruk van het nieuwe orgel.

Immers, dat het instrument thans ruim 30 registers telt op het achterkoor en 10 op het vóórkoor, kan men geen feit van bijzondere beteekenis noemen. Echter al zou de toestand zóó bestendigd blijven, dan nog spant dit orgel reeds verre de kroon boven de diverse instrumenten, welke er vroeger hebben gestaan. Daarvan kan de heer Herman Klijnman meepraten, de plichtsgetrouwe organist, die reeds bijna veertig jaren met niet genoeg te loven ijver zijn taak in de St. Willibrord vervult en pas in het laatste jaar een deel van den zwaren last van zijn schouders zag gewenteld door de benoeming van Jan Nieland tot eersten organist. Dat de heer Klijnman en met hem de andere oudere parochianen nu langzamerhand de voltooiing medemaken van een plan, dat geheel aan de eischen der groote kerk voldoet, is hun ongetwijfeld een verheugenis.

En gezien al hetgeen er in de St. Willibrord reeds tot stand is gebracht, behoeft men niet ongerust te zijn, of het Comité zal binnen afzienbaren tijd aan den orgelbouwer Jozef Adema last kunnen verstrekken, om het instrument geheel te voltooien. Pas als alle 64 registers op het achterorgel zijn geplaatst en electrisch verbonden met de 10 op het voorkoor, zoodat de klanken van verschillende zijden elkander in het groote gebouw zullen ontmoeten, kan men een oordeel vellen over de imponeerende kracht, welke ontwikkeld zal kunnen worden.

Intusschen zijn er al twee dingen op te merken, die alle eer aan den orgelbouwer Jozef Adema  brengen, n.l. de prachtige, directe en absoluut gehoorzame manier van bespelen en het heldere, frissche en klare klankkarakter van de reeds geplaatste stemmen, dat bewaard blijft van het zachtste piano tot het krachtigste forte.

Alleen: nòch de orgelbouwer, nòch de zangers, nòch de groote, luisterende menigte hebben deze week de indrukken ontvangen, welke men verwachten kon. Want de geheel gevulde kerk, die anders in de gewelven nog zoo'n heerlijke acoustiek heeft, biedt nu geen ruimte voor klankontwikkeling, daar de kleurige, keurig-smaakvolle en rijke versiering door den heer Terlingen ontworpen en uitgevoerd een moorddadigen invloed blijkt te hebben op de
resonans van de muziek en ook van de stem der sprekers op den kansel, zoodat geen van tweeën tot hun recht komen. De zang- en orgelklank dempt zonder wederhal af en de spreekstem is niet te verstaan. Zoo blijft er altijd wat te wenschen over! We dienen hier — in 't belang van het werk — wel degelijk even op te wijzen. Volgende week zullen we te dezer plaatse de volledige dispositie van het geheele orgel publiceren. [Bron: De Tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad 10-11-1923]


Grootste orgel van Nederland wordt ingewijd 

In november was het zover; het orgel was klaar om ingewijd te worden. Natuurlijk besteedt De Maasbode van 8 november aandacht aan deze belangrijke en langgewacht gebeurtenis.

ORGELWIJDING EN BESPELING IN DE ST. WILLIBRORDUSKERK BUITEN DE VESTE

Men schrijft ons uit Amsterdam: Ter gelegenheid van het jubileum der St. Willibrorduskerk heeft ook de wijding van het nieuwe orgel plaats gevonden. Na de orgelwijding en allereerste bespeling waarover straks, hield de pastoor der parochie, de zeereerw. heer F W. de Rooy een korte toespraak over muziek. Spr. begon met er op te wijzen hoe reeds in een der eerste hoofdstukken van het Oude Testament over muziek gesproken wordt, en reeds Jubal, een der zonen van Lamech, harpen en orgels maakte. En steeds heeft het orgel in nauw verband gestaar met den godsdienst. Door alle tjjden heeft dit instrument de samenkomst der geloovigen gewijd. Een groot orgel met talent te bespelen, aldus spr. is eigenlijk boven menschelijke kracht. En over de muziek te spreken, haar wezen te doorpeilen, dit gaat ook eigenlijk boven menschelijke kracht.

"Waar is de muziek ontstaan, geboren? Ik meen, dat toen de morgensterren voor Gods aangezicht juichten en de engelen Gods vroolijk zorgen, de echo daarvan is gehoord hier op aarde".

God heeft gewild dat wij zouden bidden, maar Hij wilde ook dat wij zouden zingen. Niet alleen met onze stem, maar ook met het instrument. Verder hoopte spr. dat het orgel der Willibrorduskerk, thans het grootste van Nederland binnen eenige jaren geheel voltooid zou zjjn. Ook sprak hij zijn dank uit voor de vele gaven en in het bizonder voor het schoone werk van het orgelcomité.
Jan Nieland, de eerste organist der kerk bespeelde het orgel. Gezien het feit dat Nieland slechts een tweetal uren het orgel heeft kunnen gebruiken, en het oriënteeren op zulk een samengesteld instrument een werk van weken is, en gezien ook het feit dat hij slecht
over een zeer onvolledige dispositie te beschikken had, was het een knappe prestatie het derde Koraal en de Pastorale van César Franck zoo muzikaal uit te voeren. De talentvolle speler verdient hiervoor zeker een woord van lof, en het is onze overtuiging dat het groote orgel hem wel toevertrouwd is.
Ademloos luisterde de stampvolle kerk toe, en kwam met de „Cantilena" en „Grand choeur triomphal'' van Guilmant geheel in feestelijke stemming. En goede uitvoering van het Te Deum van Olivier Koop voor dubbelkoor was een waardig slot voor dezen avond. De kwaliteiten van het nieuwe orgel voor begeleiding kwamen hierbij uit. Te hopen is het, dat de milde bijdragen voor het orgel ook in het vervolg zullen blijven toevloeien en een spoedige voltooiing van het orgel zullen mogelijk maken. [Bron: De Maasbode 08-11-1923]


Van oom op neef

In 1923 begon Jozef Adema met de bouw van een orgel in de St. Willibrordus-kerk buiten de Veste te Amsterdam. Vandaag de dag is het 't grootste in Nederland! Het werk, dat Jozef Adema bijna een kwart eeuw geleden begon, werdt door zijn neef Hubert Schreurs beëindigd. Zo wordt, met een kleine variatie, ook de uitoefening van dit ambacht voortgezet van vader op zoon.

Wanneer men spreekt van het grootste orgel van Nederland, dan zijn het toch vooral de cijfers, die moeten spreken. Veelzeggend zijn ze genoeg. Een getal van 5.000 pijpen zet zelfs de verbeelding van de leek aan het werk. Minder is dat het geval met de registers. Het zijn er in de St. Willibrorduskerk tachtig. Meer nog dan Jozef Adema zich voorstelde, toen hij aan de bouw van het orgel begon. Vier en zeventig had hij uitgerekend.Vier en zeventig werden het er niet. Toen het jaar 1926 aanbrak kon hij op 33 registers bogen. Veel verder is het niet gekomen. Hubert Schreurs zou pas de plannen van zijn oom verwezenlijken en voor een goed deel zelfs vernieuwen ook.

Wijzigingen immers bleken niet overbodig. Schreurs keerde weer terug naar de klassieke opvattingen van orgelbouw, die een tijdlang uit de mode waren geweest. Uitwassen van de romantische school werden geannuleerd. Veranderingen en aanvullingen aangebracht. Karakterregisters en vulstemmen kregen een betere toepassing. Een grote open contrabas en enkele labiaalregisters bracht Hubert Schreurs nu ook aan. Gestadig groeide zijn werk. Op November 1946, een jaar geleden, werd het orgel in zijn nieuwe staat ingewijd. Men herinnert zich de feestelijkheden, die er mee gepaard gingen. Maar groter nog zullen de feestelijkheden zijn, wanneer straks over een jaar, de St. Willibrorduskerk buiten de Veste 75 jaar bestaat. Vóór die viering moet het orgel gereed zijn. 

Nóg zijn er open plaatsen, die met pijpen bezet moeten worden. Een verbinding is bijna in gereedheid gebracht tussen het grote orgel en het kleine orgel van het Zuidertransept. Het vierde manuaal immers van liet hoofdorgel was vervaardigd voor de bediening van het kleine. Maar „het is. kunt wel zeggen klaar'", vertelde men ons op de pastorie en daarmee wordt eigenlijk het sluitstuk gelegd van een vijf en twintigjarige arbeid. 

Het orgel van de St. Willibrorduskerk moge niet slechts een groot, het moge ook een schoon orgel zijn. Want het is om het lied, "dat uit den orgel schiet", dat het werd gebouwd. Het aan deze bestemming te laten beantwoorden was de eerzucht van de maker. Een goede bestemming, het orgel zij groot of klein!

[Bron: De Tijd : dagblad voor Nederland 25-10-1947]


AMSTERDAM EN ZIJN KOSTBARE ORGELS Terugblik op en pleidooi voor een waarachtige orgelkunst

AMSTERDAM is rijk en wij zijn verwend en het gaat bij ons als in een huis net verwende kinderen: wij waarderen onze rijkdom niet meer. En wij verwaarlozen ons kostbaarst bezit. Ook ons bezit aan orgels, die in onze kerken en concertzalen staan. Er staan vele en ze zijn door de eeuwen beroemd geweest. Onze voorouders hebben zich grote offers voor getroost, zij het ook een stedelijke ijdelheid er niet vreemd aan was en men niet rustte, eer een  men een orgel binnen zijn muren, had dat beter, of tenminste net zo goed als het nieuwe orgel dat elders was gebouwd. En wanneer het er eenmaal stond en regelmatig bespeeld werd, was er een grote belangstelling voor. De vermaarde stadsdrukker Jan Bleau nam er zijn buitenlandse gasten mee heen, die dan later in hun reisverhaal konden neerschrijven, dat er elke avond, maar vooral op Zaterdagavond in de grote, de Oude Kerk een gewemel van allerlei volk te vinden was, dat daar liep te luisteren naar het orgel. De organist speelde aan een stuk door en iedereen liep heen en weer, behalve wanneer er één speciaal register te horen was, de vox humana. Naar het geluid van dit
register bleef alles doodstil staan luisteren want het bootst de menselijke stem na op een manier, dat het een veelstemmig koor is. De Italianen die dit neerschreven — het waren Guido en Giulio Bovio — hadden minder kijk op muziek dan wel op de curiositeit van het geval. Honderd jaar later zou Charles Burney, de Engelse musicoloog, over de Nieuwe Kerk een muzikaler oordeel geven: „De klank van dit instrument is in het tutti zeer schoon; het is blijkbaar goed onderhouden. Ik kon de Bourdon niet alleen in het pedaal, maar ook in de discant van het manuaal goed onderscheiden." Hij maakte kennis met de blinde Jacob Potholt, die eerst aan de Westerkerk, later aan de Oude Kerk organist was, hoorde hem spelen en gaf met veel kennis van zaken zijn oordeel over het spel: „Hij (Potholt) is met zijn smaak geheel op het peil van de moderne muziek. Zijn manier om de versieringen te spelen is uitstekend en volmaakt van uitdrukking, zijn fantasie is buitengewoon levendig en toch is zijn spel vol inhoud; zelden speelt hij in minder dan vijf stemmen, met manualen en pedalen tegelijk, en dat niet op de droge, harde manier die ik in Duitsland zo vaak hoorde."

Maar het waren niet alleen de buitenlanders die over onze orgels zoveel goeds wisten te vertellen. Vondel spreekt er over in zijn klachtgedicht op de dood van Dirck Sweelinck:
„Gestoelten noch gepropte bancken
niet langer Zwelings kunst bedancken, voor zijn verquickende avontklancken..."

En hij maakt een toespeling op Cromwell en zijn aanhangers die kort tevoren alle orgels uit de Engelse kerken verwijderd hadden, waar hij verderop zegt: 

Is oock uw Geest van 't lijf ontbonden Door 't bassen van den Hont uyt Londen, Die alle noten heeft geschonden?" 

MAAR in Amsterdam stonden de orgels en er werden steeds nieuwe orgelbouwers aan het werk gezet om de instrumenten groter en beter en mooier te maken. In de Oude Kerk, de Nieuwe Kerk, de Westerkerk. Ook het orgel kreeg zijn deel van de Gouden Eeuw. Temeer, daar het bedrijf van orgels bouwen een zeer gewaardeerde Nederlandse bezigheid was geweest al sinds de vijftiende eeuw. Ze hebben hun ups-and-downs gekend, die Amsterdamse orgels; de organisten hebben er de muziek van de tijd op gespeeld — het was vroeger weinig gewoonte om oudere muziek te spelen — en waar het orgel in grote trekken zichzelf bleef, daar kon het niet anders, of met het wisselen van de muzikale smaken, klopte er wel eens iets niet. Het klankidioom van later tijden paste niet meer bij de oude dispositie en dan werd er weer aan het orgel gewerkt om het „bij" te houden. Er kwamen wat andere registers, die meer beantwoordden aan de smaak van het ogenblik; er werd muziek voor gecomponeerd, die het toenmalige oor meer streelde en zo was het één een gevolg van het ander. Ook bij het orkest zien we immers een dergelijke evolutie. Maar omdat een orgel nu eenmaal een minder gemakkelijk vervangbaar instrument is dan een viool of een hobo kwam het orgel steeds wat achteraan hinken. Ook daar vonden de organisten wat op: zij arrangeerden eenvoudig de gangbare muziek voor het orgel en meenden daarmee hun vogel geschoten te hebben. Mozart, Beethoven en Schubert, later Wagner, Meyerbeer en de rest van de opera leverden stof genoeg. Tegen het einde der negentiende eeuw komt in de orgelbouw de tendenz op, om de nieuwere orkest-instrumenten in de orgelregisters na te bootsen. Vreemd was dit niet, want de oude orgelbouw heeft dit in de vijftiende en zestiende eeuw precies zo gedaan. Het jammere ervan was alleen, dat de (weinige) orgelcomponisten van die tijd ook in hun composities de orkeststijl
gingen toepassen. Maar deze nek-aan-nek-race heeft het orgel uiteindelijk verloren. En dat is de ondergang geworden van de klassieke orgelkunst. Zowel in de bouw als in de compositie en het spel. Maar bovendien verdween de belangstelling in het orgel. De schare die het orgel nog vereerde werd kleiner en kleiner. Eerst toen de romantiek Bach weer had ontdekt in zijn Matthaus Passion en men zijn orgelwerken weer ging uitgeven en Lemmens ze in Breslau weer had gestudeerd en op het Brusselse Conservatorium ging doceren, toen César Franck zijn leerlingen kon vormen en zijn angelieke koralen schreef. Ja, toen ontwaakte de belangstelling weer voor de échte orgelkunst. Want de illustratieve muziek die de Slag bij WaterIoo voorstelde, die op een liefdadigheidsconcert voor de slachtoffers van een overstromingsramp zó overduidelijk was, dat een verslaggever meende het water te horen stromen tijdens de donderbuien en de bliksemflitsen, die uit het orgel kwamen, deze muziek moge dan al een voorspel zijn geweest voor de filmmuziek van de 'twintigste eeuw, de kunst van het orgel was er in geen enkel opzicht mee gediend. Maar de orgelbouw kwam hopeloos achteraan en Albert Schweitzer heeft tezamen met zijn vriend Emile Rupp lang moeten vechten, eer de orgelbouwers voor hun inzichten gewonnen waren. Maar toen was er al heel wat kwaad geschied. Ook aan onze oude, grote en beroemde instrumenten! Juist de meest karakteristieke registers waren vervangen door zoetelijk kwelende stemmen, en wat eens de trots van onze Nederlandse orgelbouw had uitgemaakt werd gesloopt en vervangen. Het onbegrip der monumentaliteit ging zo ver, dat men wel de kasten bewaarde — wat een prachtstukken hangen er nog in het Rijksmuseum! — maar de ziel van het orgel, het pijpwerk en de windladen, werden voor afbraak verkocht. Toen bv. het oude orgel Van de Lutherse kerk aan het Spui door een nieuw vervangen zou worden, kreeg ook deze kast een plekje op een museumzolder. De pijpen, die toch het meest waardevol waren uit een oogpunt van orgelbouw — om van de windladen maar niet te spreken — de pijpen werden aan een voorbijkomende opkoper verkocht voor de smeltpot!

GELUKKIG hebben nieuwe inzichten een beter begrip gebracht. Onze oude orgels worden weer gerestaureerd in de oude stijl en de nieuwe worden weer gebouwd naar de gezonde beginselen van de oude Nederlandse orgelbouw. Zo is onze stad weer rijk aan goede orgels. Langs niet alle zijn ze even groot; maar de „maat" is voor een orgel meer een zaak van een juiste verhouding in de ruimte dan wel een groot aantal registers. Ze staan er weer in volle schoonheid: in de Oude Kerk, in de Nieuwe Kerk, in de Mozes aan het Waterlooplein, in „De Duif" aan de Prinsengracht tegenover het Amstelveld, in de Sint-Willibrorduskerk aan de Amsteldijk, in de Ronde Lutherse kerk aan het Singel... Natuurlijk blijven er wensen over. De restauratie van de Westerkerk heeft veel goeds gebracht, maar het orgel is niet zó bedrijfszeker als het moest zijn; in de Jeruzalemkerk aan het Jan Mayenplein staat een voortreffelijk orgel, maar het is te groot en te hard geintoneerd voor de ruimte waar het staat. In het Concertgebouw is verleden jaar een restauratie gereed gekomen, die het orgel tot een der allerschoonste uit het hele land heeft gemaakt. Jammer genoeg wordt het in de grote concerten véél te weinig gebruikt. 

Maar op de andere orgels wordt regelmatig gespeeld. De programma's staan over het geheel genomen op een hoger peil dan b.v. voor de oorlog. De Zaterdagavond-concerten in de Oude en de Nieuwe Kerk kennen een grote toeloop. De concerten van de Amsterdamse Orgelkring worden steeds beter bezocht. Maar hier blijft voorshands nog zéér veel te wensen over: nl. een publiek dat stijlgevoel heeft voor de waarachtige orgelkunst. En dat zich niet laat afschepen mét Jbetelijkheden en arrangementen van muziek die niet des orgels is. Maar dat hebben voor een groot deel
de organisten in de hand. Die hebben — met of zonder hun schuld — verzuimd het publiek op te voeden. En dat is toch jammer. Er is zo een rijke en voorname orgelkunst geschapen door de grote componisten uit vroeger eeuwen en er wordt door onze tegenwoordige componisten, Nederlanders zo goed als buitenlanders, weer een grote belangstelling voor de orgelkunst aan de dag gelegd. De vijf jaren van het Haarlemse Orgelconcours hebben het ons kunnen leren. En het wil er bij mij niet in, dat dit nieuwe leven voor Amsterdam onvruchtbaar zou zijn.
Piet Visser  [Bron: Algemeen Handelsblad 08-10-1955] 


1960 Sint Willibrorduskerk - zicht op orgel. Te zien boven de speeltafel is Albert Theonies (1887-1959). Hij was de opvolger van Jan Nieland. [Bron: Amsterdam Cultuur Historische Vereniging - https://amsterdamhv.nl/


Na het overlijden van Theonies werd in 1959 Thijs Kramer benoemd als vaste organist. De "Stichting Sint Willibrordusorgel" tot behoud van het van het grote ADEMA - orgel schrijft in haar archief over organist Kramer:

"Gedurende 7 jaar begeleidde Kramer alle kerkdiensten. Maar bovendien concerteerde hij vele avonden in de hoge, schemerige kerk, tot vreugde van velen. (Tot aan het einde van de jaren '50 waren in R.K. kerken orgelconcerten niet gebruikelijk. Menig Amsterdams orgelliefhebber wist dan ook niet, wat er in de machtige kerk aan de Amstel verborgen was. Zij leerden het orgel pas goed kennen, toen ook de R.K. kerken werden opengesteld voor de geliefde orgelconcerten. Een nieuwe wereld ging hiermee open). Uren van grote muzikale schoonheid op zondagavonden 'na het lof' leven sterk in de herinnering van menigeen voort. Men voelde er de wijding van het 'Godshuis', waar een vage wierookgeur nog hing. Men waande zich in een Franse kathedraal en dat was ook niet vreemd; composities van César Franck op dit grote orgel in deze geweldige ruimte gaven onwillekeurig associaties met een orgel uit bijvoorbeeld de Notre Dame.

De aankondigingen van de concerten waren vooral te vinden in het Algemeen Handelsblad: Uitgaan Amsterdam. 


"Naast andere bekende organisten, zoals Fernando Germani uit de Sint Pieter te Rome, Jozef Tönnes uit Duisburg, Prof. Flor Peeters uit Antwerpen en Albert de Klerk, was het vooral Thijs Kramer, die in de afgelopen jaren dit orgel zijn welverdiende bekendheid heeft gegeven. 

[Bron: "Stichting Sint Willibrordusorgel" tot behoud van het grote ADEMA-orgel / Toegang 1493 Noord-Hollands Archief]


Willibrorduskerk heeft ernstige gebreken

Berichten over de ernstige toestand waarin de kerk verkeerde bereikte de landelijke kranten: "De Willibrorduskerk staat op instorten" (Algemeen Handelsblad 25-06-1966) en "Werk van Cuypers tot afbraak gedoemd" (De Volkskrant 30-06-1966), "Amsterdams grootste orgel met ondergang bedreigd" (Algemeen Handelsblad 26-09-1967).

Toch had een eerder onderzoek in 1938, geleid door Prof. Visser hoogleraar aan TH Delft, toen al geconcludeerd had dat de kerk in ernstig staat van verval geraakte door wateropname in het metselwerk. En later vermeld De Telegraaf van 30-06-1966 dat "aI in 1960 in het priesterkoor stukken steen naar beneden kwamen. In 1962 gebeurde hetzelfde in het achterschip van de kerk. Een paar weken geleden kwamen in het voorschip met donderend geweld weer een paar brokken steen omlaag. Gelukkig was er geen dienst. Een stoel, waarop steenklompen terecht kwamen, ging in spaanders." [Bron: De Telegraaf 30-06-1966]

Het kerkbestuur besloot de kerk te sluiten want het bestuur de middelen niet had om de nodige werkzaamheden door te voeren. 

 [Bron: Algemeen Handelsblad 25-06-1966]


Wacht Willibrorduskerk op slopershamer?

(Van een onzer verslaggevers)
VRIJDAGAVOND zal het kerkbestuur van de parochie St. Willibrordus buiten de Veste beslissen over het lot van het kerkgebouw aan de Amstel bij de Ceintuurbaan te Amsterdam, dat zulk een opvallende verschijning is in het silhouet van de stad. Het is de grootste kerk, die dr. Joseph Cuypers bouwde en de Willibrordusparochie is de grootste parochie in den lande. Maar het ziet er niet naar uit, dat deze grootste parochie in staat zal zijn het bouwwerk te restaureren, dat eind vorige week werd gesloten in verband met het gevaar voor vallend gesteente.
In 1938 reeds bracht prof. Visser een rapport uit over het kerkgebouw, dat
eerst in 1924 werd voltooid met de bouw van de koepel. Hij wees toen op het feit, dat de kerk van het verkeer op Stadhouderskade en Ceintuurbaan had te lijden. Bovendien openbaarden zich toen reeds door wateropname in het metselwerk, waarbij natriumsulfaat wordt gevormd, allerlei bedenkelijke verschijnselen. Die zijn er thans niet minder op geworden — op sommige plaatsen wordt de metselspecie anderhalve centimeter uit de voegen gedrukt. Blijkbaar is de kwaliteit van het metselwerk niet bijster goed uitgevallen. Bij het toenemende verkeer langs de kerk is nu nog de vliegtuighinder gekomen: het doorbreken van de geluidsbarrière.

Stukken steen
IN 1962 kwamen er in het achterschip (dat in de jaren negentig is gebouwd; het priesterkoor met een deel van het schip waren reeds in 1873 voltooid) twee stukken steen naar beneden. Een paar weken geleden zijn stukken steen in het voorschip gevallen. Ze waren loos geraakt door het roesten van strippen ijzer in de glas in loodramen.

Men heeft een onderzoek laten instellen, en een voorlopige begroting bracht aan het licht, dat restauratie anderhalf miljoen zou gaan kosten. Op steun van het bisdom valt niet te rekenen; een rijkssubsidie voor de restauratie (de kerk is een monu­ment) zou eerst over enige jaren te verwachten zijn. Hebben wij op een persconferentie de mening van het kerkbestuur goed beluisterd, dan geeft dit de voorkeur aan sloping van de St. Willibrordus en bouw van een kleiner modern kerkgebouw. 
[Bron: Algemeen Handelsblad 29-06-1966]


GEEN GELD VOOR RESTAURATIE : Willibrorduskerk gesloten wegens bouwvalligheid

Een onderzoek dat deze week is ingesteld naar de toestand van de St. Willibrorduskerk buiten de Veste aan de Ceintuurbaan in Amsterdam, heeft aangetoond dat het gebouw zulke ernstige gebreken vertoont, dat onmiddellijke sluiting voor het ogenblik vereist is vanwege het acute gevaar voor vallend gesteente.
In verband hiermee zullen de misvieringen in deze rooms-katholieke kerk reeds morgen niet meer plaatsvinden in dit kerkgebouw, maar gehouden worden in het nabij gelegen Willibrordushuis. [Bron: Parool 25-06-1966]


Kranten houden zich bezig met de toekomst van het Willibrordusorgel

Vele kranten maakten zich zorg over het lot van de kerk maar vooral van het Willibrordusorgel, het grootste orgel van Nederland. 

Intussen had het kerkbestuur een makelaarskantoor ingeschakeld om te bemiddelen met de verkoop van het orgel. Een sloper deed een bod op het orgel, de firma Van Staveren te Mijdrecht, gespecialiseerd in taxatie, aan- en verkoopbemiddeling en expeditie van orgels.


Een invaller(journalist) van Het Parool die ook het orgel kon bespelen, kon het niet laten om zijn verhaal te vertellen over het slopen van de Amsterdamse kerken en hun belangrijke bewoners, de orgels.

KOSTBAAR INSTRUMENT: Slopersbedrijf doet bod op orgel Willibrordus

(Van onze verslaggever) AMSTERDAM, 18 sept. — Amsterdamse orgelliefhebbers maken zich ongerust over de mogelijke vernietiging van het orgel in de Sint Willibrorduskerk-buiten-de-Veste te Amsterdam. Pogingen om het instrument te verkopen aan een andere kerk zijn gestuit op financiële moeilijkheden. Er is een bod gedaan door een Rotterdams slopersbedrijf, dat alleen interresse heeft voor het materiaal. Het kerkbestuur van de Willibrordus is op dit bod nog niet ingegaan; het hoopt alsnog een koper te vinden, die het instrument intact laat en het wil overnemen voor de vraagprijs. De Amsterdamse Willibrordus buiten de Veste moet wegens bouwvalligheid gesloopt worden. Het orgel, een levenswerk van de bekende orgelbouwer H. P. Schreurs van de firma Adema te Amsterdam, zou aanvankelijk gered worden. Er waren plannen om het te doen verhuizen naar de Sint Vituskerk te Hilversum, waar het volgens kenners goed tot zijn recht zou komen. Sint Vitus kon echter de gevraagde prijs niet opbrengen. Het kerkbestuur van de Willibrordus vraagt voor het orgel 32.500 gulden, een prijs die gebaseerd is op een taxatie van de heer Schreurs. 

Het Hilversumse kerkbestuur kon in zijn bod echter niet verder gaan dan I6.000 gulden, temeer omdat bij dit bedrag nog geteld moest worden een bedrag van naar schatting 84.000 gulden voor de afbouw, het transport, de wederopbouw en een aantal vernieuwingen van het instrument. Het kerkbestuur van de Willibrordus wilde op het bod van 16.000 gulden niet ingaan, het zou eventueel wel hebben willen praten over een bod van 26.000 gulden. Intussen bood een Rotterdamse sloper 35.000 gulden voor het instrument, maar dan verdwijnt het in de smeltkroes. Orgelkenners hopen, dat het zover niet zal komen en dat alsnog een gegadigde gevonden zal worden die het instrument aan zijn bestemming teruggeeft, omdat het hier om een waardevol, cultureel goed gaat. Het orgel werd in de jaren 1922-23 gebouwd met geld dat door de parochianen was bijeengebracht. ln 1948 werd het aanzienlijk uitgebreid; met zijn 6.000 pijpen, zijn drie klavieren en pedaal, zijn 64 registers, die een volledig strijkerskoor en een aantal Franse tongwerken bevatten, die indertijd met de grootste moeite werden bijeengebracht, is het een van de grootste orgels van Nederland. Nieuw zou het nu zeker 2.5 ton kosten.

Schandaal 
Het zou dan ook, zo menen orgelkenners, een ramp en een schandaal zijn, indien dit sieraad van Nederlandse orgelbouwkunst in de loodpot verdween; vooral als men het beziet in het licht van de zorg en liefde, waarmee allerlei oudere orgels omringd worden. En voorts, als men bedenkt, dat uiteindelijk de onderhandelingen met de Sint Vitus zijn afgestuit op een bedrag van 10.000 gulden, een peuleschil gezien tegen de achtergrond van de voordelige transactie, die de Willibrordus heeft kunnen sluiten met de verkoop van zijn grond, die 5.5 miljoen gulden opbracht. Mocht geen enkele kerk in staat zijn de benodigde fondsen te fourneren, dan zou het mogelijk moeten zijn ergens een subsidiegever te vinden. Monumentenzorg kan zich echter niet over het instrument ontfermen; daarvoor is het nog te jong. Pas als het orgel minstens honderd tot tweehonderd jaar oud is, komt het onder bescherming van de overheid te staan. [Bron : De Volkskrant 18-09-1967]


Een kerkorgel voor niks!

DAT bericht over het orgel van de Willibrorduskerk heeft u toch niet gemist? Die kerk — Amsteldijk hoek Ceintuurbaan—wordt afgebroken. Het grote orgel moet daarom met enige spoed worden verkocht. Er zijn echter  geen kopers. Nu heeft het kerkbestuur meegedeeld, dat het orgel niks hoeft te kosten. Alleen moet de koper wel de kosten van sloop (en herbouw) betalen. En die liggen zo in de buurt van de 70 à 80.000 gulden. Ik heb nog een moment overwogen dat kerkbestuur op te bellen met de kreet: "Ik kom dat ding wel even halen!" Maar ik heb dat bedrag niet zo direct bij de hand en bovendien realiseerde ik mij tijdig dat ik thuis ook plaatsingsmoeilijkheden zou krijgen. En dat terwijl het orgel het énige muziekinstrument is dat ik jaren geleden — heb leren bespelen.

De Willibrorduskerk verdwijnt dus. Als u die steenklomp kent, zult u weten, dat de slopers er een aardige kluif aan zullen hebben, net als aan de Maria Magdalenakerk in de Spaarndammerbuurt die al helemaal verdwenen is.

ER zullen nog wel meer kerken verdwijnen. In De Volkskrant stond dezer dagen een samenvatting van een rapport uitgebracht door een commissie voor kerkelijke monumenten van het bisdom Haarlem over de situatie in Amsterdam. Niet alle kerken, die over de stad verspreid staan, zijn gebouwen van grote architectonische waarde. Volgens de commissie moeten onder meer bepaald niét gesloopt worden de kerk op het Begijnhof, de Mozes en Aäron op het Waterlooplein, de Nicolaaskerk bij het Centraal Station, en feitelijk onmisbaar uit kunsthistorisch oogpunt zijn dan nog vijf andere kerken. Deze zijn: De Dominicuskerk aan de Spuistraat, de Krijtberg aan de Singel, de Papegaai in de Kalverstraat, de Posthoorn aan de Haarlemmer Houttuinen en de hulpkerk van de redemptoristen aan de Keizersgracht. Dan resten nog drie kerken, waarvoor "minder doorslaggevende motieven tot behoud" gelden, te weten: De Duif aan de Prinsengracht, gebouwd in 1857, architect Th. Molkenboer. De commissie zegt er van: klassicistische vormenwereld, die in tegenspraak is met het grondbeginsel van het klassicistische denken en bovendien de onderlinge harmonie van ruimtevormen mist. De Pool aan de Wittenburgergracht (1900, architect P. Bekkers). De Zaaier aan de Rozengracht, gebouwd in 1929 door architect J. Valk. De commissie zegt er van: Is in zeer goede staat, maar van te recente datum om reeds te kunnen gelden als monument in de zin der wet. Is niet van bijzonder belang voor het stadsbeeld. Volgens inlichtingen zou deze kerk te zijner tijd ten offer kunnen vallen aan een doorbraak ten behoeve van het stadsverkeer. De commissie moet nog rapporteren over 12 andere kerken (in oud-zuid, oud-west en in oost). De kerken in de binnenstad, die wèl behouden zouden moeten blijven, kunnen als kerk toch niet gehandhaafd blijven en daarom zouden ze een andere bestemming moeten krijgen. Als kerkelijke musea bijvoorbeeld. Maar wordt dat niet een beetje te veel van het goede?

HET is geen opwekkend rapport, maar het is, dunkt mij, wel met een grote dosis nuchterheid geschreven. De binnenstad is niet meer het dicht bevolkte woongebied van voorheen en het heeft geen zin lege kerken in stand te houden. 

Alleen: als de Willibrordusbuiten-de-veste al met de handen in het haar zit over dat grote orgel, wat moet men dan straks met al die andere instrumenten [Bron: Het Parool 08-02-1968]


Afscheid nemen van het Willibrordusorgel 

© Foto: Bert Klei uit Onderweg, uitgave voor de Samen op Weg-kerken

A.J. (Bert) Klei (1924-2008) was veertig jaar journalist bij dagblad Trouw en voor het grootste deel als 'chef kerk'. Klei volgde nauwkeurig de ontwikkelingen rondom de Sint Willibrordus buiten de Veste en zijn orgels. Zijn liefde voor de kerken van Pierre Cuypers (1881-1889), voor orgelmuziek, vooral voor het orgelbespelingen van de organist Thijs Kramer op zondagavonden. 

Klei haalt herinneringen op in zijn verslag: 

"De zondagavonduren van een jaar of zes geleden herinner ik me erg goed. Thijs Kramer speelde Franck in de Sint Willibrordus buiten Veste, direct na het lof, en gretig kwamen daar de Amsterdamse orgelliefhebbers, zó van de drukke Ceintuurbaan in de lage, hoge en schemerige ruimte, waar vaak de wierookgeur hing. Moeiteloos stroomden uit het verre orgel de klanken, licht en zilverig, warm en bruingetint ... heerlijk! Ik had een vast hoekplaatsje gekozen en zag bekenden binnenkomen: een gereformeerde dominee, z’n togakoffertje nog in de hand (hij had 'buiten' gepreekt), een juffrouw die ook altijd naar de concerten in de Oude Kerk ging, een jongen die vlijtig de muziek meelas." 

0p zo’n orgeluur kon je dromen, dat je in een Parijse kerk zat. Geen erg boze droom, want de Ceintuurbaan in Amsterdam heeft iets Boulevard Montparnasse-achtigs en je hoorde tenslotte tongwerken die via speciale invoerbepalingen recht uit Parijs naar het grote Willibrordus-orgel gingen. Dat van de  die tongwerken en die ...rechten weet ik uit een klein boekje van Piet Visser, dat je cadeau krijgt bij de Gedenkplaat Sint Willirbrordus Orgel Amsterdam*). Maar voordat ik wat over die grammofoonplaat en dat boekje zeg, sla ik over het gedenken.

We gaan de Willibrordus buiten de veste afbreken (in de plaats daarvan ligt Amsterdam het  zoveelste bankgebouw, afschuwelijk eigenlijk), en wat er met het orgel gebeuren moet weet nog niemand. De Willibrordus is één van de drie kerken, die de grote Cuypers in Amsterdam bouwde. Eerlijk gezegd, niet de mooiste van de drie. Dat was naar mijn smaak de Magdalenakerk in de Spaarndammerbuurt, die al afgebroken is - en ik kijk, als ik eens met trein richting Haarlem ga of kom, spijtig naar de lege plek. De Vondelkerk blijft gelukkig.

Je kunt je natuurlijk afvragen of je liefde voor neo-gotïsche kerken (want we komen toch bij Cuypers vandaan), het een gevolg is van 't feit, dat we vandaag genoodzaakt zijn ze af te breken: ze zijn even bouwvallig als onregelmatig geworden, — en ze hebben iets aandoenlijks in hun verlepte glorie...

… Om op de Willibrordus buiten de veste terug te komen, 't is niet Cuypers fraaiste bouwwerk, maar het is er allemaal in sterke mate: die bereidheid tot geldelijke offers, het besef van de eminentie die het kerkgebouw toekomt. In 'Honderd jaar kerkbouw in Nederland' schreef B. Reith: «... de Sint Willibrordus buiten de veste. Inderdaad buiten de veste, in een drassig weiland, stond omstreeks 1850 het houten noodkerkje, slechts bereikbaar langs een plank over de sloot. In dat schuurachtige geval droomde pastoor Wubbe een stoute toekomstdroom: de geweldige uitgroei van Amsterdam, die hij voorzag, op te vangen in een enorm en triomfantelijk godshuis, weids als een kathedraal, als waardig symbool van vernieuwd katholiek leven in Nederland, in de hoofdstad geplant. De pastoor kocht de grond en opende besprekingen met Cuypers Het gedurfde plan van pastoor Wubbe riep in Cuypers ogenblikkelijk het visioen op van de kerk van zijn leven: een fantastisch bouwwerk met vele torens, als kaarsen op een kandelaar ontstoken tot Gods eer. 

En dat in Nederland, in 1857! De antipaapse storm over het herstel der hiërarchie was nog nauwelijks geluwd de Aprilbeweging van 1853 lag nog vers in het geheugen en de katholieken waren hun schuilkerken nog amper ontgroeid. Voorzichtige leiders maanden nog steeds tot bescheidenheid teneinde geen andersdenkenden te prikkelen. Maar pastoor Wubbe en architect Cuypers waren samen een heel leger waard..,’ 

In 1871 pas kan met de bouw begonnen worden. Soms moet men de werkzaamheden stopzetten, want dan is het geld op. Pas in 1899 is de kerk over haar volle lengte voltooid, maar de torens ontbreken. Zij zijn er niet gekomen, alleen de middentoren, pas in 1924. (en met als architect Cuypers' kleinzoon, die ook Pierre Cuypers heet). De overige zes die Cuypers in zijn eerste ontwerp had vastgelegd, zullen er ook nooit komen… 

Geldelijke offers: voor de kerk en voor hét orgel. In 1890 is het bescheiden orgel klaar, waarvoor de Amsterdamse orgeïbouwerij Adema opdracht had gekregen. In 1904 wordt het uitgebreid, maar deze grote kerk vraagt om een veel groter orgel. Er is een orgelspaarfonds, men vist net achter het net als het Cavaillé-Coll-orgel uit het Paleis voor Volksvlijt te koop is (Haarlem is sneller met een aanbod) en het besluit valt: er moet een nieuw orgel komen. 

Het orgelcomité geeft orgelbouwer Jozef Adema opdracht tot het bouwen van wat moet worden Nederlands grootste orgel: een dubbel-orgel op westkoor en zuidkoor, dat door middel van een veeladerige elektrische kabel vanaf de hoofdspeeltafel gelijktijdig bespeeld zal kunnen worden, een orgel met in totaal 74 registers op vier klavieren en een vrij pedaal. 

Net als de kerk wordt het orgel in fasen gebouwd, het orgelspaarfonds is nimmer overbodig. In 1923 wordt het eerste stuk van het grote orgel ingespeeld, een jaar later wordt een aantal tongwerken geplaatst, in 1926 komt het front (cadeau van een parochiaan), in 1943 volgt Hubert Schreurs zijn oom Adema op, in 1944 worden weer enkele registers geplaatst, in 1946 is er een aanzienlijke uitbreiding, in 1949 worden de al genoemde Parijse tongwerken ingebouwd... en wat nog komen moet zijn twee grote registers, de beide 32', plus de kabelverbinding. Ze zullen er, net als de zes torens van de kerk nooit komen… 

De gegevens over het orgel haal ik uit het in 't begin van dit verhaal gesignaleerde boekje van Piet Visser, dat enigszins apologetisch van toon is: denk er aan, zeg geen kwaad van 't rijke roomse leven, want dat leverde ons de Willibrordus compleet met orgel op; en zeg niet dat het grote Willibrordus-orgel 'maar' een romantisch orgel is. Piet Visser heeft helemaal 'gelijk, met de kerk en met het orgel. 

De kerk... die heeft er - goed, zonder al die torens — toch maar gestaan al die jaren: indrukwekkend, van buiten door haar trotse afmetingen, van binnen door haar grandioze ruimtewerking. 

Het orgel... en liever dan een relaas te geven over zijn bijzondere klankkwaliteiten — en die zijn bijzonder — verwijs ik naar de grammofoonplaat, waarop Thijs Kramer werken speelt van: Jan Nieland (de eerste organist van het gróte Willibrordus-orgel; hij schreef zijn Marche Triomphale voor dit instrument), César Franck (Noël en Maestoso uit „  Organiste'), Gigout (Toccata) en Reubke (Sonate; der 94. Psalm). Hij begeleidt Martha Zandvliet als zij — heel mooi van uitdrukking — Panis Angelicus en La Procession van Franck zingt.

In dit naar mijn oordeel goed uitgekiende programma komen alle schitterende eigenschappen van dit Fransgeoriënteerde orgel goed naar voren. Neem nu Reubke's 'hemel-, hel- en orgelbestormende stuk' (deze aanduiding op de hoes is van Thijs Kramer), dat zo gauw kan vragen om de aanduiding: veel lawaai en weinig wol. Hier komt Reubke tot z’n recht en ik moet zeggen dat ik me al bijna gewonnen heb gegeven. Overigens spelen hierbij niet alleen de hoedanigheden van het orgel, maar ook die van de virtuoze organist mee! 

Héél prettig is dat Thijs Kramer in zijn verhaal op de hoes (die ook een foto van speeltafel en de dispositie van het orgel geeft) ook iets zegt van de registers die hij gebruikt. Deze hoes-tekst steekt wel bijzonder gunstig af bij veel snorkende praat die je elders tegenkomt. Maar je vind geen woord over de organist zelf. Waarom niet? 'Niet belangrijk', zei Thijs Kramer, toen ik het hem vroeg. Wèl belangrijk, dunkt me, en daarom: Thijs Kramer is nu 29 jaar en organist-dirigent in Leiden, in de Petruskerk. Overigens is het Willibrordus-orgel naar zijn gevoel nog 'zijn’ orgel.

't Is vurig te hopen dat er een passende plaats voor dit verrukkelijke orgel gevonden wordt. Waar? Het zal wel niet kunnen in een nieuwe- roomskatholieke kerk, want die zien er al net zo verknipt uit als moderne protestantse kerken. Wat dit betreft, we zijn natuurlijk allemaal blij met de vernieuwingen en zo bij Rome, maar als ik soms een stil ogenblik vind in zo’n halfduistere neo-gotische ruimte, compleet met een zoetige beeldengalerij, kan ik als protestant een beetje heimwee hebben naar rijk rooms leven. Zo zie je maar waar de komende afbraak van de Sint Willibrordus buiten de veste een mens brengen kan! 

*) Te bestellen bij AVP (audio-visual productions), O. Z. Voorburgwal 200, Amsterdam Centrum of bij L. Dijns, Mauvestraat 5, Amsterdam Zuid. De prijs is ’ 9.90. [Bron : Trouw 09-03-1968]



(Van onze verslaggever) AMSTERDAM, 8 april — Het orgel van de St Willibrorduskerk te Amsterdam is voor vijftienduizend gulden verkocht aan de firma W. Eppinga te Britswerd in Friesland. De dreiging dat het naar de schroothoop zou gaan, is daarmee op het laatste moment afgewend. Op 1 juni begint de sloop van de bouwvallig geworden Willibrorduskerk. Pogingen om het waardevolle orgel voordien te verkopen waren tot nu toe mislukt. Niet zozeer vanwege de bedongen verkoopprijs, als wel doordat kandidaat-kopers terugschrokken voor de geraamde kosten van afbouw, vervoer en wederopbouw.

De heer Eppinga acht de gemaakte schattingen van tachtigduizend gulden voor de demontage, het transport en de wederopbouw aan de hoge kant. Dat is, zegt hij, een slag in de lucht. Volgens hem is het meer een kwestie van tijd dan van geld. De heer Eppinga, die geen handelaar is, maar zelf orgelbouwer — hij heeft instrumenten gebouwd voor kerken in Franeker, Groningen, Leeuwarden, Amsterdam en tal van andere plaatsen — heeft het orgel niet gekocht uit zakelijke overwegingen, maar uit artistieke en idealistische. Hij acht het een schitterend instrument en het zou hem tegen de borst stuiten als het verloren moest gaan. "We zouden stapelgek zijn, als we er de sloper op los zouden laten; het moet behouden blijven."  "Overigens blijft de koop een gokje. Als ik geen koper vindt, moet ik de pijpen opslaan in mijn werkplaats en daar heb ik eenvoudig de ruimte niet voor". Maar de heer acht het onwaarschijnlijk dat er geen goede bestemming voor het orgel te vinden zou zijn. De KRO zendt op 18 april een documentaire uit, gewijd aan het orgel. De Amsterdamse organist Thijs Kramer werkt momenteel aan de tweede grammofoonplaat waarop de rijke stem van het Willibrordusorgel wordt vastgelegd. [Bron: De Volkskrant 08-04-1968]


STICHTING TOT BEHOUD VAN HET WILLIBRORDUSORGEL 

Er werd een comité in het leven geroepen dat tot doel had Willibrordusorgel te behouden en vervolgens een waardige bestemming te vinden voor het orgel. Maar hoe werd dan het gedeeltelijk gedemonteerde orgel van de sloper opgekocht kunnen worden? Het slopersbedrijf was namelijk van plan om het orgel in onderdelen te verkopen ...

In het archief van de stichting werd het vermeld dat juist op het moment dat de Friese orgelbouwer met de afbraak begon, is het het comité gelukt hem er van te overtuigen, dat het ideaal om een waardige nieuwe plaats voor het orgel te vinden door hem toch niet kon worden verwezenlijkt. "Het comité is zo gelukkig geweest het orgel in zijn bezit te krijgen. Het was met recht een dubbeltje op zijn kant, maar een triomfantelijk moment."

Het comité werd op 14 april 1969  omgezet in de Stichting Sint Willibrordusorgel" tot behoud van het grote ADEMA - orgel uit de voormalige de voormalige Sint Willibrorduskerk e.m. te Amsterdam. De samenstelling van dit comité: L. Heesen, fabrikant, Amsterdam (Voorzitter), W.A.J.M. Eskes, makelaar, Amstelveen, (Vice-voorzitter), P. Visser, journalist, Amsterdam (secretaris), E. A. G. Brautigam, gemeenteraadslid, Amsterdam, Th. v.d. Bijl, musicus, Amsterdam, L. Dijns, ijzerhandelaar, Amsterdam, C.v. Homeijer, ambtenaar, Amsterdam, S. de Jong, musicus, Lijnden, Th. Kramer, musicus, Amsterdam, A. Leloux, B.v. Oostrum, orgelbouwer, Amsterdam, H. Zantvliet, Amsterdam.

De nieuwe eigenaar van het Willibrordusorgel.

[Bron: Archief "Stichting Sint Willibrordusorgel" tot behoud van het van het grote ADEMA - orgel uit de voormalige Sint Willibrorduskerk e.m. te Amsterdam]


Anderhalf jaar geleden drong het zoveelste afbraakbericht van een Amsterdams gebouw door tot de Amsterdammers. De Willibrorduskerk aan de Amstel was bouwvallig. Grond en kerkgebouw zijn inmiddels in andere handen overgegaan; de inventaris is her en der verspreid. Het grote Adema orgel is er nog, omdat er niet onmiddellijk een plaats voor gevonden werd die groot genoeg, en — voor de taak van het orgel — passend was. Ondertussen zijn er pogingen gedaan om het orgel uit de slopershanden te redden. Gelukkig met succes, omdat het de vertegenwoordiger is van een bijzondere periode in de orgelbouw. Het is voortgekomen uit de Franse school van Aristide Cavaillé-Coll, de man die praktisch alle Franse kathedralen van een groot orgel heeft voorzien. Een school, die hier te lande vaste voet gekregen heeft via het orgel van de Mozes- en " Aaronkerk te Amsterdam van de gebroeders Adema. Er staan sedertdien tientallen Adema-orgels in ons land, die alle hun Franse aard duidelijk tonen, ook het orgel van de Amsterdamse Sint Willibrordus.
Bij de pogingen om dit orgel een zo goed mogelijke, nieuwe verblijfplaats te geven, is de Stichting uitgegaan van de optimale taak van het instrument: dat is in de eerste plaats in de eredienst zoals die zich in ons Europese Westen heeft ontwikkeld. Teelijk daarmee moet het ook zijn andere taak kunnen vervullen: een eigen aandeel in het muzikaal leven van de gemeenschap. Het Sint Willibrordusorgel zal die bijzondere concerterende taak moeten waar maken. Ook al door zijn samenstelling. 

In de dagen dat met de bouw ervan werd begonnen — de twintiger jaren — leefde de belangstelling voor de oudste orgelmuziek nog slechts aan de periferie van het muzikale veld, had de orgelbouw nauwelijks een blik in de oudere instrumenten geworpen en was de musicologie van het orgel maar nauwelijks bewust van de grote waarden die in het stof van bibliotheken in diepe rust lagen. Sedert die tijd is met de ontwaakte musicologie een nieuwe bezinning gekomen op de oude bouwprincipes. Van deze nieuwe bezinning zal ook het St. Willibrordusorgel door een uitbreiding gaan profiteren in zijn nieuwe omgeving.

De Stichting heeft voor dit instrument een ideale omgeving en waarborgen voor een optimaal gebruik als kerkelijk en concertinstrument gevonden in de kathedraal Sint-Bavo te Haarlem. Hierdoor krijgt de orgelstad Haarlem de beschikking over een ander groot instrument, dat zijn deel zal kunnen bijdragen aan het Haarlemse muziekleven, waarin het orgel sinds vier eeuwen een zo belangrijke rol heeft gespeeld en sinds de laatste kwart eeuw op internationaal niveau opnieuw speelt. In de Haarlemse Orgelmaand immers worden tal van grotere en kleinere orgels in de stad betrokken rond Improvisatieconcours en Zomerorgelacademie. Desondanks is het plan voor de Stichting in meer opzichten een 'zorgenkind'. Dankzij de medewerking van het Bisdom Haarlem en enkele particulieren heeft het plan weliswaar een vastere vorm kunnen aannemen, maar financieel zit de zaak nog niet rond. Vanzelfsprekend zijn er subsidieaanvragen naar de betreffende instanties uitgegaan. Daarnaast is een bankrekening geopend waarop bijdragen kunnen worden gestort op naam van de Stichting 'Willibrordusorgel', Nederl. MiddenstandsBank N.V., Herengracht 580, Amsterdam. [Bron: Trouw 03-06-1969]


[Bron : Het Parool 18-02-1987 / Noord-Holland Archief / Foto: Wubbo de Jong / Archief Wubbo de Jong - MAI Beeldbank - Maria Austria Instituut]


© Lillian Lubega


Verslaggever A. J. Klei krijgt het laatste woord met zijn verslag "Bijbelse naam aan de Amstel”

"…… Als ik mijn blik naar rechts werp, zie ik hoe de Nieuwe Amstelbrug, ontworpen door de jonge Berlage, zich met lome gratie over de rivier uitstrekt. Links ervan, aan de overkant van het water, doemt een hoog en plomp gebouw op. Het staat er nog niet lang en het is in de plaats gekomen van een bijzonder gul door Cuypers opgezette neo-gotische kerk, die een aantal jaren geleden tegen de vlakte is gegaan. 

Het was de Sint Willibrordus-buiten-de-Veste en ik herinner me de zondagavonden dat ik er naar Thijs Kramer luisterde, die César Franck speelde . . . Nee, ik ga niet over vroeger zaniken, ik gun trouwens de bejaarden, die in het verse gebouw zijn geherbergd, dit mooie plekje van de stad. Een levensavond aan de oever van de Amstel... wat wil je nog meer? Maar je zou willen dat hun verblijfsoord sierlijker van vorm was. 

Opeens valt me in ... maar ik zeg het niet hardop ... dat niet alleen hier, maar ook elders in Amsterdam negentiende-eeuwse kerken het veld hebben moeten ruimen voor moderne bejaarden- of verpleeghuizen. Ik kan dan wel zeuren over de afbraak van lieve, royaal van tierelantijnen voorziene bouwsels, maar is het niet veel beter dat we voor oude en heel oude mensen in de weer zijn dan dat we proberen kerken met lege banken overeind te houden?" [Bron : Trouw 19-05-1988] 







Mijn grote dank en waardering gaat uit naar de volgende mensen en organisaties voor hun medewerking:

  • Koos Schippers, fotograaf
  • Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, Hilversum
  • Tom Kellerhuis, Hoofdredacteur HP / De Tijd
  • Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad / NFP
  • Martijn Roessingh, Copyright / Trouw
  • Fokke Holwerda, Documentatie / Nederlands Dagblad
  • Marjon Hardonk, Copyright / de Volkskrant
  • Marrit Boomsma, Redactie / Het Parool
  • John Klopstra, Redactionele ondersteuning D v/h N / NDC Mediagroep
  • Archief Wubbo de Jong / MAI Beeldbank - Maria Austria Instituut 
  • Archief Charles Vlek / MAI Beeldbank - Maria Austria Instituut
  • Koninklijke Bibliotheek, Den Haag
  • Aaldrik Zaaiman, Amsterdam Cultuur Historische Vereniging
  • Bert Windt, Secretaris Stichting Willibrordusorgel / Ton van Eck, Adviseur Stichting Willibrordusorgel
  • Noord-Hollands Archief
  • NRC Handelsblad & Algemeen Handelsblad / NRC Media